Gordel

Het dragen van de autogordel in personenauto's is al verplicht sinds 1975. Vanaf 1 november 1991 is het dragen van een gordel verplicht in alle motorvoertuigen waarin gordels aanwezig zijn. Het dragen van de autogordel op zitplaatsen áchter in de auto is verplicht sinds 1 april 1992. Iedereen in de auto is zelf verantwoordelijk voor het dragen van de gordel. Een passagier zonder autogordel draait dus zelf voor de boete op. Alleen voor overtredingen door kinderen jonger dan 12 jaar gaat de boete naar de bestuurder.

Kinderen kleiner dan 1,35 meter
Sinds 1 maart 2006 moeten kinderen kleiner dan 1,35 meter voorin en achterin de auto in een goedgekeurd kinderzitje vervoerd worden. Een kinderzitje kan zijn: een babyautostoeltje, een kinderautostoeltje of een zittingverhoger.

Volwassenen en kinderen groter dan 1,35 meter
Sinds 1 maart 2006 moeten volwassenen en kinderen (iedereen onder 18 jaar) groter dan 1,35 meter voorin en achterin de auto de autogordel om en mogen zonodig ook een zittingverhoger gebruiken. Als er meer passagiers dan gordels zijn, mogen volwassenen en kinderen groter dan 1,35 meter los op de achterbank zitten, zolang de aanwezige gordels maar door de andere passagiers worden gebruikt. Dit geldt tot 1 mei 2008. Vanaf die datum mag in auto's die op alle zitplaatsen gordels hebben, niemand meer zonder gordel worden vervoerd. Gordels mogen niet worden gedeeld met meerdere personen.

Inzittenden van rolstoelen
Inzittenden van rolstoelen zijn niet uitgezonderd van de draagplicht van autogordels. De bestuurder is ervoor verantwoordelijk dat inzittenden van rolstoelen inderdaad met de beschikbare gordels beveiligd zijn, omdat de gehandicapte vaak niet in staat is om daar zelf voor te zorgen. Maakt de handicap het onmogelijk om een gordel te gebruiken, dan moet een ontheffing worden aangevraagd bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).

Bekeuring
De boetes voor het niet dragen van de gordel vindt u in de Boetebase van het Openbaar Ministerie (OM). Daarnaast kan het niet dragen van de gordel er toe leiden dat bij verwondingen door een auto-ongeval de verzekeringsmaatschappij de schadevergoeding niet of slechts gedeeltelijk uitkeert.

Draag daarom voor je eigen veiligheid altijd een autogordel, ook tijdens korte ritjes!


Tips voor een juiste bandenspanning

Regelmatige controle van de spanning
Elke band verliest geleidelijk lucht. Check daarom elke maand even uw bandenspanning bij de bandenspecialist, tankstation of autobedrijf. Er zijn ook bandenspanningsmeters verkrijgbaar waarmee u zelf thuis regelmatig de spanning kunt controleren.

Controleer de banden in koude toestand
Tijdens het rijden wordt de band warm en loopt de spanning op. Controleer de bandenspanning daarom voordat u meer dan drie kilometer heeft gereden.

Welke spanning hebben mijn banden nodig?
De aanbevolen bandenspanning voor uw auto vindt u in het instructieboekje, op de deurstijl van uw auto of op de binnenzijde van de tankklep. Er zijn tenminste twee adviesspanningen. Eén voor normaal weggebruik en één voor gebruik met veel belading of voor lange afstanden op de snelweg.

Let op voelbare en zichtbare afwijkingen
Vaak merkt u vanzelf dat er iets mis is. U voelt dit door een afwijkend weggedrag of door geluiden die u anders nooit hoort. Stop in dat geval even en bekijk uw banden. Mocht u een scheurtje of een spijker ontdekken, dan zit er maar één ding op: ter plekke uw band vervangen door de reserveband en dan naar een professional voor een reparatie.

Vergeet uw reserveband niet
De reserveband krijgt de hoogste adviesspanning. Bij een lekke band kan de reserveband meteen z'n werk doen.

Het ventieldopje
Een klein detail misschien, maar wel belangrijk. Een ventieldopje houdt vuil en stof buiten en lucht in de band.


10 Tips om brandstof te besparen


1.De belangrijkste tips van Het Nieuwe Rijden op een rijtje

2.Schakel zo vroeg mogelijk op naar een hogere versnelling. Tussen de 2.000 en 2.500 toeren. Dit geldt voor zowel benzine-, diesel- als LPG-auto's.

3.Ziet u dat u snelheid moet minderen of stoppen voor een verkeerslicht, laat dan tijdig gas los en laat de auto in de versnelling van dat moment uitrollen.

4.Rij zo veel mogelijk met een gelijkmatige snelheid en een laag toerental in een zo hoog mogelijke versnelling.

5.Controleer maandelijks de bandenspanning.

6.Kijk zo ver mogelijk vooruit en anticipeer op het overige verkeer.

7.Zet de motor ook af bij kortere stops. Zoals bij een openstaande brug, bij een spoorwegovergang, in de file, wanneer u iemand afhaalt, etc. Start u weer, doe dit dan zonder gas te geven.

8.Maak, indien mogelijk, gebruik van in-car apparatuur, zoals toerenteller, cruise control en boordcomputer.

9.Let bij de aanschaf van een nieuwe auto op het energielabel.

10.Ga bewust om met energievreters, zoals airconditioning en dakkoffers.




Telefoon: 06-22213010
Telefoon: 06-22213010